De I Ching dateert uit de Zhou-dynastie, in tijd gemeten de langste van alle Chinese dynastieën (1046-256 v.Chr.). In het eerste gedeelte ervan, de Westelijke Zhou, lag het centraal gezag bij de Zhou koningen. Hun gezag verzwakte geleidelijk en ze hadden in de eropvolgende Oostelijke Zhou slechts een ceremoniële rol. De Oostelijke Zhou valt uiteen in de Periode van Lente en Herfst (771-481 v.Chr.) en de Periode van Strijdende Staten (475-221 v.Chr.). De verschillende staten bevochten elkaar om de macht; coalities werden gesmeed en uit elkaar gespeeld. Uiteindelijk veroverde de meest oostelijke van die staten de hegemonie en verenigde China als de Qin-dynastie.
De Strijdende Staten Periode markeerde een lange periode van conflict en oorlog. Ondanks, of juist ten gevolge van, alle beroering kende de filosofie een ongekende bloei: de Hundred Schools of Thought, 諸子百家. Het was de tijd van Confucius, Mencius, Lao Zi, Zhuang Zi, Mo Zi, de Legalisten, de Naturalisten, de lijst van vermaarde filosofen is lang.

In de inleiding van Zhuang Zi, de Volledige Geschriften nuanceert Kristofer Schipper het dominante beeld van de Periode van Strijdende Staten.
…
De opkomst van de bovengenoemde filosofische scholen wordt dan ook consequent toegeschreven aan het radeloos zoeken van de grote geesten uit die tijd naar een uitweg uit de chaos en een terugkeer naar een maatschappij van orde en morele waarden.
De geschiedschrijving die deze negatieve visie heeft verspreid dateert echter uit een later tijdperk, namelijk dat van het tweede keizerrijk, de Han-dynastie (202 voor onze jaartelling tot 220 erna). Niet alleen had deze dynastie er belang bij de aan haar voorafgaande periodes in een zo duister mogelijk daglicht te stellen, bovendien was toen het confucianisme de dominerende ideologie van het rijk geworden. Voor de confucianisten was de periode, die zij de naam van ‘Strijdende Staten’ gaven, een tijd waarin de klassieke leer van Confucius in verval was geraakt. Vandaar dat ze er geen goed woord voor overhadden, noch voor de cultuur, noch voor de samenleving, en nog het minst voor het taoïsme dat in die tijd opgang deed. Het zijn immers juist de confucianistische zedenpreken over morele en maatschappelijke orde waar onze Zhuang Zi voortdurend de draak mee steekt!
Stel dat het traditionele confucianistische beeld van de tijd waarin Zhuang Zi leefde niet juist of in ieder geval erg tendentieus en onvolledig is, hoe moeten we dan een beter beeld krijgen? Dat is niet makkelijk, want alle bewaard gebleven Chinese geschiedschrijving is bij uitstek confucianistisch — iets dat moderne onderzoekers maar al te vaak vergeten. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er echter grote vorderingen gemaakt in de Chinese archeologie, en hierdoor krijgen we van de periode waarin Zhuang Zi geleefd moet hebben een heel ander beeld.De ‘staten’ van China zijn in die tijd niet meer de feodaal bestuurde landen van weleer, maar hebben zich ontwikkeld tot stadstaten die in de eerste plaats commerciële en industriële centra zijn. De Strijdende Staten waren dan ook vaak niet meer dan rivaliserende steden. De situatie in China in die tijd is dus in menig opzicht vergelijkbaar met die van het toenmalige Hellas. De kunstvoorwerpen behelzen niet alleen de kostbare rituele bronzen die van oudsher een grote rol speelden in de klassieke Chinese offerreligie, maar ook allerlei uit lak gemaakte voorwerpen met amusante en vrolijke voorstellingen. Deze voorwerpen zijn over heel China op allerlei plaatsen teruggevonden, wat duidt op een intensieve handel. De twee eeuwen voor het begin van het keizerrijk waren misschien tijden van conflict, maar ook van grote economische en culturele bloei en maatschappelijke emancipatie, waarin vrijwel onafhankelijke steden zich ontwikkelden tot centra van kunst en wetenschap. Deze evolutie heeft ook gedurende deze periode een grote integratie van de verschillende delen van het toenmalige China bewerkstelligd, en dat heeft uiteindelijk de politieke eenwording in 221 voor onze jaartelling mogelijk gemaakt.
Zhuang Zi, de Volledige Geschriften - Kristofer Schipper
In Welcome To The New Warring States maakt de Chinese schrijver Hui Huang een analogie tussen de Warring States Periode en de politieke actualiteit anno 2026.
This is not merely a moment of disruption. It marks a paradigmatic shift in global logic. The world is moving from a system of mediated stability toward one of open rivalry. To understand this moment, China’s own history offers a useful analogy. In the Spring and Autumn period (770 to 476 B.C.E.), warfare was ritualized, legitimacy symbolically upheld by the Zhou king. But as the old order weakened, the Warring States period (approximately 475 to 221 B.C.E.) emerged. It was a time of classic anarchy marked by intense competition, innovation, and systemic transformation. Legalism, meritocracy, military standardization and bureaucratic statecraft all took shape in this crucible. The end of ritual was also the beginning of modern governance.
Hui Huang in Noēma
Lees hier het volledige artikel dat onlangs in Noema werd gepubliceerd.
Wordt vervolgd …




